Skip to content
Alle optiegidsen
Amerikaanse monetaire cijfers lezen9 min leestijd

M1 versus M2: wat meten ze en waarom sprong M1 in 2020?

Lees wat M1 en M2 in de VS omvatten en waarom de opname van spaartegoeden in M1 in mei 2020 een statistische sprong veroorzaakte.

In deze gids1. Het korte antwoord: M1 en M2 tellen verschillende categorieën

Korte samenvatting

M1 in de VS omvat chartaal geld, direct opvraagbare deposito’s en overige liquide deposito’s, waaronder spaartegoeden sinds mei 2020. M2 is ruimer: M2 bestaat uit M1 plus kleine termijndeposito’s en tegoeden in retailgeldmarktfondsen, na aftrek van de relevante IRA- en Keogh-saldi. De sprong in M1 in 2020 kwam vooral doordat bestaande spaartegoeden voortaan binnen de definitie van M1 vielen. De Federal Reserve zei dat dit M1 flink zou verhogen, maar M2 onveranderd zou laten. actuele H.6-publicatie aankondiging van de H.6-wijziging

1. Het korte antwoord: M1 en M2 tellen verschillende categorieën

De Federal Reserve publiceert M1 en M2 als maatstaven voor de Amerikaanse geldhoeveelheid. Het zijn statistische totalen waarin bepaalde financiële tegoeden volgens vaste definities worden samengevoegd. Ze meten niet het totale vermogen van huishoudens en ook niet alle bezittingen die snel in geld kunnen worden omgezet. M1 heeft een smallere reikwijdte en richt zich op contant geld en zeer liquide deposito’s. M2 neemt M1 op en voegt een aantal andere tegoeden toe.

Dit verklaart waarom M1 op grafieken rond 2020 plotseling sterk stijgt. Spaartegoeden die al in M2 zaten, maar buiten M1 vielen, werden opnieuw ingedeeld en kwamen binnen M1 te vallen. De Fed meldde uitdrukkelijk dat M1 daardoor aanzienlijk zou toenemen terwijl M2 gelijk bleef. Lees die sprong dus niet meteen als een overeenkomstige hoeveelheid nieuwe stortingen. Scheid een wijziging van de statistische grens van geld dat daadwerkelijk op rekeningen is bijgeschreven of overgemaakt. aankondiging van de H.6-wijziging

2. Wat telt de huidige M1-maatstaf mee?

Volgens de huidige H.6-publicatie van de Fed bestaat M1 uit drie hoofdgroepen. De eerste is valuta buiten de Amerikaanse Treasury, Federal Reserve en de kluizen van deposito-instellingen. De tweede bestaat uit direct opvraagbare deposito’s bij commerciële banken, na bepaalde uitsluitingen en correcties. De derde heet “overige liquide deposito’s”. Sinds mei 2020 omvat die categorie ook spaartegoeden, waaronder bankrekeningen die money market deposit accounts worden genoemd. actuele H.6-publicatie

De overige liquide deposito’s omvatten verschillende rekeningen die voor betalingen kunnen worden gebruikt, zoals bepaalde NOW- en ATS-rekeningen, share-draftrekeningen bij kredietunies, direct opvraagbare tegoeden bij spaarbanken en spaartegoeden. Kort samengevat: M1 = valuta + direct opvraagbare deposito’s + overige liquide deposito’s. Bij de seizoengecorrigeerde maatstaf corrigeert de Fed elke component afzonderlijk voordat zij de totalen optelt. Daardoor hoeft een simpele optelsom van ongecorrigeerde componenten op een andere pagina niet gelijk te zijn aan het seizoengecorrigeerde totaal. actuele H.6-publicatie

M1 is geen lijst van alle bezittingen die iemand te gelde kan maken. Aandelen, obligaties, woningen en pensioentegoeden vallen niet automatisch binnen de definitie. Ook producten met vergelijkbare namen kunnen statistisch anders worden behandeld. Een money market deposit account is een bankspaartegoed dat bij M1 hoort; tegoeden in een retailgeldmarktfonds zijn een aparte categorie die wordt toegevoegd om M2 te berekenen. Kijk dus naar het soort rekening en de instelling, niet alleen naar de woorden “geldmarkt”. actuele H.6-publicatie

Twee doorzichtige schalen staan in elkaar en bevatten stapels blanco papierstroken en kaarten.
De kleine schaal in de grotere verbeeldt globaal geldmaatstaven met verschillende afbakeningen; de illustratie bevat geen cijfers of gegevens.

3. Hoe M2 de reikwijdte van M1 uitbreidt

M2 begint met M1 en voegt daar kleine termijndeposito’s aan toe: deposito’s met een bedrag van minder dan $100.000. Ook tegoeden in retailgeldmarktfondsen tellen mee. De definitie trekt vervolgens de IRA- en Keogh-tegoeden af die worden aangehouden bij deposito-instellingen en geldmarktfondsen. Die grenzen en aftrekposten zijn onderdelen van de statistische definitie; ze zeggen niet rechtstreeks hoe snel een spaarder zelf bij een rekening kan. actuele H.6-publicatie

Op 28 juli 2026 wijzigde de Fed hoe IRA- en Keogh-tegoeden van M2 worden afgetrokken. Voorheen werden tegoeden bij deposito-instellingen afgetrokken van kleine termijndeposito’s en tegoeden bij geldmarktfondsen van retailgeldmarktfondsen. Nu trekt de Fed het gezamenlijke totaal aan IRA- en Keogh-tegoeden bij beide soorten instellingen af van de som van M1, kleine termijndeposito’s en retailgeldmarktfondsen. De wijziging is met terugwerkende kracht toegepast. Het niet voor seizoensinvloeden gecorrigeerde M2 bleef gelijk; het seizoengecorrigeerde M2 is licht herzien, omdat de IRA- en Keogh-tegoeden nu ongecorrigeerd in M2 worden verwerkt, terwijl ze eerder waren opgenomen in seizoengecorrigeerde componenten. technische vragen en antwoorden bij H.6 actuele H.6-publicatie

Dat M2 “ruimer” is, betekent dat het de M1-categorieën en bepaalde aanvullende tegoeden omvat. Het betekent niet dat M2 alle eenvoudig verhandelbare financiële activa of het volledige vermogen van huishoudens meet. Een termijndeposito heeft een looptijd, een geldmarktfonds is een fondsbelegging en een bankdeposito is een vordering op de bank. M2 volgt een afgebakende verzameling tegoeden en is geen volledige balans van de private sector.

Vóór mei 2020 zaten spaartegoeden al in M2, maar niet in M1. Na de wijziging werden ze onderdeel van M1 en bleef M2 ze via M1 meetellen, naast de overige componenten. Hetzelfde spaargeld hoeft daarvoor niet dubbel te worden geteld. De samenstelling van M1 veranderde daardoor sterk, terwijl de Fed aangaf dat de definitiewijziging op zichzelf M2 niet veranderde. notitie bij FRED-reeks M2SL aankondiging van de H.6-wijziging

4. Waarom veranderde de M1-definitie in 2020?

Op 26 maart 2020 verlaagde de Fed de reserveverplichtingen voor netto-transactierekeningen naar nul. Op 24 april schafte zij de Regulation D-regel af die bepaalde overboekingen vanaf spaartegoeden tot zes keer per maand beperkte. Volgens de Fed verdween daarmee het regelgevingsverschil tussen transactierekeningen en spaartegoeden. Die spaartegoeden hadden vervolgens dezelfde liquiditeitskenmerken als transactierekeningen die al als “overige direct opvraagbare deposito’s” in H.6 stonden. aankondiging van de H.6-wijziging

Daarom voegde de Fed de H.6-categorieën “spaartegoeden” en “overige direct opvraagbare deposito’s” samen tot “overige liquide deposito’s” en nam zij dat totaal op in M1. De nieuwe indeling geldt vanaf mei 2020. Alleen de manier waarop bestaande tegoeden in de statistiek worden geclassificeerd, veranderde. Het betekent niet dat het geld opnieuw is gecreëerd of nogmaals aan rekeninghouders is uitgekeerd. aankondiging van de H.6-wijziging

De Fed benoemde het rekenkundige effect expliciet: M1 zou aanzienlijk stijgen en M2 zou gelijk blijven, omdat spaartegoeden al in M2 zaten. De eerste maandelijkse H.6-publicatie met de wijzigingen verscheen in februari 2021 en werkte de gegevens terug tot mei 2020 bij. De terugwerkende herziening begint bij de waarneming van mei 2020; spaartegoeden zijn niet toegevoegd aan M1-waarnemingen van vóór mei. Een plotselinge sprong in M1 rond die grens is dus vooral een breuk in de meetdefinitie, geen bewijs dat elk huishouden een betaling ter grootte van die sprong kreeg. aankondiging van de H.6-wijziging

5. Voorbeeld: $1.000 van sparen naar betaalrekening overboeken

Stel dat iemand $1.000 van een spaarrekening naar een betaalrekening overboekt en verder geen stortingen, opnames, rente of transacties heeft. Dit hypothetische voorbeeld isoleert alleen het effect van de classificatie; het is geen actuele statistiek. Vóór mei 2020 telde de spaarrekening wel mee in M2, maar niet in M1. De betaalrekening telde mee in beide maatstaven.

Volgens de oude definitie stijgt M1 door die overboeking met $1.000: het saldo verplaatst zich van een categorie buiten M1 naar een categorie binnen M1. M2 verandert niet, want het saldo zat voor en na de overboeking in M2. Alleen voor dit voorbeeldsaldo geldt: vóór de overboeking: M1 $0, M2 $1.000; erna: M1 $1.000, M2 $1.000.

Volgens de definitie vanaf mei 2020 vallen zowel spaar- als betaalrekeningen binnen M1. De interne overboeking van $1.000 verandert M1 en M2 daarom niet, zolang er geen andere activiteit is. De rekeninghouder bezit nog steeds $1.000 aan deposito’s. Het verschil tussen de uitkomst onder de oude en nieuwe definitie zit in de statistische behandeling van de spaarrekening, niet in de waarde van het vermogen van die persoon. Deze overboeking is alleen een rekenvoorbeeld op basis van saldo-categorieën vóór seizoencorrectie; het voorspelt geen exacte verandering van $1.000 in de gepubliceerde, seizoengecorrigeerde maandreeks M1SL. aankondiging van de H.6-wijziging actuele H.6-publicatie

6. De grafieksprong en herzieningen van historische cijfers lezen

De FRED-reeksen M1SL en M2SL zijn afkomstig uit de H.6-publicatie van de Federal Reserve. Het zijn maandelijkse bedragen in miljarden dollars, gecorrigeerd voor seizoenseffecten. De toelichting bij M1SL zegt dat M1 vóór mei 2020 bestond uit valuta, direct opvraagbare deposito’s en overige direct opvraagbare deposito’s; vanaf mei gebruikt de reeks overige liquide deposito’s. Bij M2SL staat dat spaartegoeden vóór mei 2020 een aparte component waren en daarna al in M1 zijn opgenomen. notitie bij FRED-reeks M1SL notitie bij FRED-reeks M2SL Elke maandwaarde is een maandgemiddelde, geen saldo op één specifieke dag.

Lees een M1-lijn die mei 2020 overspant daarom niet alsof de hele stijging uitsluitend door nieuwe geldstromen is veroorzaakt. Controleer eerst of de historische waarden volgens een consistente definitie zijn weergegeven. Cijfers die nu op FRED staan, kunnen bovendien verschillen van gegevens die bij de eerste publicatie zijn gedownload, omdat statistieken later worden herzien.

In augustus 2021 verwerkte de Fed een nieuwe kwartaalbenchmark en herzag zij gegevens. De herziening van depositogegevens bij banken en thriftinstellingen die niet wekelijks rapporteerden, begint bij de gegevens over 2020; voor retailgeldmarktfondsen begint zij bij 1996. Ook het bedrag aan deposito’s in vreemde valuta dat van bepaalde componenten wordt afgetrokken, is aangepast. Dit staat los van de definitiewijziging van M1 in 2020. FRED vermeldt dat gegevens kunnen veranderen. Noteer daarom de download- of raadpleegdatum en de gebruikte versie als je een nieuwe analyse met een oudere vergelijkt. toelichting op de H.6-herziening notitie bij FRED-reeks M1SL notitie bij FRED-reeks M2SL

De H.6-publicatie van de Federal Reserve van 24 augustus 2021 beschrijft deze benchmark- en gegevensherzieningen.

7. Wat M1 en M2 niet vertellen

M1 en M2 meten geen vermogen. Een huishouden kan veel aandelen of een woning bezitten zonder een groot saldo op de betaalrekening. Omgekeerd kon vóór mei 2020 een interne overboeking van sparen naar betalen M1 verhogen zonder dat het totale deposito van die persoon veranderde. De twee aggregaten beschrijven bepaalde soorten tegoeden, niet wie het vermogen bezit of hoe het is verdeeld.

M1 en M2 zijn ook niet hetzelfde als de monetaire basis. In H.6 bestaat de monetaire basis uit valuta in omloop plus reservebalansen die deposito-instellingen bij de Federal Reserve aanhouden. Bankreserves zijn geen huishoudelijke deposito’s en vallen niet in M1. Omdat de maatstaven in dezelfde monetaire tabel kunnen staan, moet je een stijging van M1 niet verwarren met meer bankreserves of met een even grote toename van “bijgedrukt geld”. actuele H.6-publicatie

Ten slotte bewijst een stijging van één geldaggregaat op zichzelf niet dat consumentenprijzen zijn gestegen en voorspelt zij inflatie niet automatisch. De M1-sprong in 2020 laat vooral zien waarom definities ertoe doen. Om prijsveranderingen te meten heb je een passende prijsindex en periode nodig. Lees voor productievolume de gids over nominaal en reëel bbp, voor de reikwijdte van CPI, PCE en de bbp-deflator de vergelijking van deze prijsindices, en voor het verschil tussen afnemende inflatie en deflatie de uitleg over desinflatie en deflatie.

De boekhoudkundige identiteit M × V = P × Y verbindt een geldmaatstaf (M), de omloopsnelheid van geld (V), het prijsniveau (P) en de reële productie (Y). De identiteit veronderstelt niet dat V constant blijft en betekent niet dat groei van M automatisch tot een even grote procentuele stijging van P leidt. De relatie tussen geldtegoeden, bestedingen, productie en prijzen kan in de tijd veranderen.

8. M1- en M2-groei berekenen en de cijfers controleren

Noteer voordat je een verandering interpreteert de naam van de reeks, de eenheid, de frequentie en de seizoencorrectie. Gaat het om M1SL of M2SL? Zijn de bedragen in miljarden dollars en zijn het seizoengecorrigeerde maandcijfers? Loopt de vergelijking over mei 2020? Zo ja, gebruiken de cijfers voor en na die datum dezelfde historische indeling? De actuele H.6-publicatie beschrijft de componenten; de FRED-pagina’s tonen de eenheden, frequentie, bron en reeksnotities. actuele H.6-publicatie notitie bij FRED-reeks M1SL notitie bij FRED-reeks M2SL

De procentuele verandering bereken je met twee waarnemingen uit dezelfde reeks: (nieuwe waarde − oude waarde) ÷ oude waarde × 100. Stel dat een fictief maandgemiddelde stijgt van 20,0 biljoen dollar naar 20,2 biljoen; dan is de verandering (20,2 − 20,0) ÷ 20,0 × 100 = 1,0% over die periode. Dit is een rekenvoorbeeld, geen waarneming uit de reeks.

Maand-op-maand (MoM) vergelijkt met de voorafgaande maand; jaar-op-jaar (YoY) vergelijkt met dezelfde maand een jaar eerder. Als het maandtempo van 1,0% twaalf maanden achtereen wordt samengesteld, is het geannualiseerde tempo (1,01)^12 − 1 ≈ 12,7%. Dit cijfer veronderstelt dat het maandtempo aanhoudt en is geen voorspelling.

Als een grote verandering precies rond een tijdsgrens valt, controleer dan eerst of de statistische classificatie is gewijzigd voordat je naar een economische verklaring zoekt. Scheid de herindeling van spaartegoeden van echte stortingen of opnames, en onderscheid de benchmarkherziening in 2021 van de M1-definitiewijziging in mei 2020. Kies daarna de maatstaf die bij de vraag past: M1 en M2 voor afgebakende geld- en depositocategorieën, prijsindices voor prijzen en reëel bbp voor productievolume.

Trek uit één lijn geen algemene conclusie over huishoudens of het monetaire beleid. Bewaar bij elk cijfer genoeg context om het later te kunnen controleren: reeksnaam, eenheid, seizoencorrectie, raadpleegdatum en gebruikte definitie. Zo kun je een opvallend grote sprong uitleggen zonder een statistische herindeling te verwarren met nieuw geld dat elk huishouden ontving.

Veelgestelde vragen

Q1Betekent de sprong in M1 in 2020 dat huishoudens dat bedrag aan geld ontvingen?

Nee. De nieuwe definitie nam bestaande spaartegoeden op in M1. De Fed zei dat M1 door de herindeling flink zou stijgen terwijl M2 gelijk bleef.

Q2Valt een geldmarktrekening altijd buiten M1?

Nee. Een money market deposit account bij een bank is een spaartegoed en valt vanaf mei 2020 binnen de overige liquide deposito’s van M1. Tegoeden in retailgeldmarktfondsen zijn een aparte categorie die aan M1 wordt toegevoegd voor M2.

Q3Betekent een stijging van M1 automatisch dat inflatie hoger wordt?

Nee. M1 meet gedefinieerde geld- en depositocategorieën, niet consumentenprijzen. Een verandering van M1 alleen bewijst geen prijsstijging en legt geen mechanische inflatievoorspelling vast.

Bronnen en verder lezen

Probleem melden

We bereiden een e-mail met de link naar dit artikel voor. Mark ontvangt je melding pas nadat je die verstuurt

Snelle check

De gids gelezen? Test jezelf met 3 vragen

Vraag 1 / 3

Vraag 01

Waarom sprong M1 bij de definitiewijziging in mei 2020?

Kies een antwoord om de uitleg te zien

Optiewoordenlijst