Skip to content
Alle optiegidsen
Begrippen uit de macro-economie8 min read

Desinflatie en deflatie: betekent een lagere inflatie dat prijzen dalen?

Leer inflatie, desinflatie en deflatie uit elkaar houden met indexcijfers, hypothetische berekeningen en de Amerikaanse CPI en PCE.

In deze gids1. Drie begrippen, drie prijsbewegingen

Korte samenvatting

Inflatie is een stijging van het algemene prijspeil. Bij desinflatie neemt de inflatie af, maar blijft zij positief. Deflatie is een brede, aanhoudende daling van het prijspeil; een goedkoper product op zichzelf bewijst geen deflatie in de economie.

1. Drie begrippen, drie prijsbewegingen

Inflatie, desinflatie en deflatie gaan allemaal over prijzen, maar betekenen niet hetzelfde. Inflatie is een stijging van het algemene prijspeil van goederen en diensten gedurende een periode. Desinflatie betekent dat het inflatiepercentage daalt maar boven nul blijft: het algemene prijspeil stijgt nog steeds, alleen langzamer. Deflatie is een brede en aanhoudende daling van dat prijspeil. De [Federal Reserve Bank of St. Louis licht de verschillen toe]({source:stlouisInflationDisinflationDeflation}).

Daalt de inflatie van 4% naar 1%, dan is dat desinflatie, niet automatisch deflatie. Noteert een index voor een bepaalde periode −1%, dan was de gemeten verandering voor die index en die periode negatief. In macro-economische zin verwijst deflatie doorgaans naar een brede, blijvende prijsdaling, niet naar één losse waarneming.

Als iemand zegt dat “de inflatie daalt”, vraag dan wat er precies daalt: het inflatiepercentage, het indexniveau of de prijs van één product? Dat onderscheid bepaalt wat de uitspraak betekent.

2. Een goedkoper product is geen deflatie

Prijzen van afzonderlijke producten bewegen niet allemaal dezelfde kant op. Een ouder telefoonmodel kan goedkoper worden zodra een nieuwe versie verschijnt, terwijl huren, zorg en voedsel duurder worden. Die telefoonkorting is een relatieve prijsverandering voor één product en laat niet zien dat het algemene prijspeil daalt.

Een prijsindex bundelt veel prijswaarnemingen volgens een bepaalde dekking en weging. Zo'n index vat de gemiddelde beweging voor de gedefinieerde groep samen; hij weerspiegelt niet iedere aankoop van ieder huishouden. De St. Louis Fed maakt onderscheid tussen [afzonderlijke prijzen, het prijspeil en de inflatie]({source:stlouisPriceLevelInflationRate}).

Daarom kan een onderdeel goedkoper worden terwijl de brede index blijft stijgen. Het omgekeerde kan ook: sommige prijzen stijgen terwijl de totale index daalt. Beoordeel mogelijke deflatie aan de hand van een brede index over meerdere perioden, niet op basis van één prijskaartje of categorie.

3. Indexniveau en inflatiepercentage zijn iets anders

Het indexniveau is een relatieve maat ten opzichte van een gekozen basisperiode. De verandering over een bepaalde periode bereken je door de begin- en eindstand te vergelijken:

Procentuele verandering = (eindindex ÷ beginindex − 1) × 100

Stijgt de index van 100 naar 104, dan is de stijging 4%. De waarde 104 is het indexniveau, geen inflatie van 104%. Is het volgende groeipercentage lager maar nog positief, dan blijft de index stijgen. De [St. Louis Fed legt het verschil uit tussen prijspeil en inflatiepercentage]({source:stlouisPriceLevelInflationRate}).

Een lager inflatiepercentage brengt prijzen dus niet vanzelf terug naar hun eerdere niveau. Om van 104 naar 100 te gaan, moet de index vanaf 104 met ongeveer 3,85% dalen. Een tragere stijging en een lager prijspeil zijn twee verschillende bewegingen.

De waarde 100 van een CPI-index is het referentieniveau voor de basisperiode, geen geldbedrag. Ruwe indexstanden van verschillende reeksen kun je niet rechtstreeks vergelijken, omdat basisperioden en reikwijdtes kunnen verschillen; de [BLS legt uit hoe CPI-indexwaarden moeten worden gelezen]({source:blsCpiConcepts}).

Drie conceptuele paden voor een prijsindex: snelle stijging, verdere maar tragere stijging en een brede indexdaling.
Conceptbeeld van snel stijgende prijzen, tragere verdere stijging en daling van een brede index; geen economische gegevens.

4. Volg een hypothetisch indexpad vanaf 100

Stel dat een hypothetische prijsindex begint op 100. De getallen hieronder zijn uitsluitend rekenvoorbeelden, geen actuele Amerikaanse gegevens of voorspellingen.

  1. De index stijgt van 100 naar 104: (104 ÷ 100 − 1) × 100 = 4%.
  2. Daarna stijgt de index van 104 naar 105,04: (105,04 ÷ 104 − 1) × 100 = 1%. De stijging vertraagt van 4% naar 1%, maar blijft positief: dit is desinflatie.
  3. Vervolgens daalt de index van 105,04 naar 103,9896: (103,9896 ÷ 105,04 − 1) × 100 = −1% in dat interval.

Samen brengen deze twee opeenvolgende stijgingen de index vanaf 100 met 5,04% omhoog, niet met 5%: de tweede stijging van 1% wordt berekend over 104.

Na de daling van 1% ligt de indexstand 103,9896 nog steeds boven het oorspronkelijke niveau 100. Eén negatieve verandering in één periode maakt eerdere stijgingen niet ongedaan. Dit voorbeeld toont alleen de −1% in dat interval; één negatieve meting bewijst geen aanhoudende deflatie. Daarvoor moet een brede prijsdaling aanhouden.

5. Het vergelijkingsvenster kan de jaar-op-jaarrate veranderen

De jaar-op-jaarverandering vergelijkt de huidige index met die van twaalf maanden eerder. Omdat die eerdere vergelijkingsmaand elke maand opschuift, kan de jaar-op-jaarrate dalen terwijl de huidige index stijgt ten opzichte van de vorige maand.

In een hypothetisch voorbeeld is de huidige index in mei 104 en de index van mei een jaar eerder 100: (104 ÷ 100 − 1) × 100 = 4%. In juni stijgt de huidige index van 104 naar 105. De index van juni een jaar eerder is 102, waardoor de jaar-op-jaarverandering uitkomt op (105 ÷ 102 − 1) × 100 ≈ 2,94%.

De huidige index stijgt dus van 104 naar 105, terwijl de jaar-op-jaarrate daalt van 4% naar ongeveer 2,94%. Dat betekent niet dat het huidige prijspeil is gedaald; ook de vergelijkingswaarde van een jaar eerder is veranderd. Controleer bij cijfers of het om een maand- of jaarverandering gaat en welke perioden worden vergeleken.

In hetzelfde hypothetische voorbeeld is de verandering in één maand van 104 naar 105 gelijk aan (105 ÷ 104 − 1) × 100 ≈ 0,96%; dat is iets anders dan de jaar-op-jaarverandering van ongeveer 2,94%.

6. CPI, PCE en de Amerikaanse doelstelling van 2%

In de Verenigde Staten omschrijft het Bureau of Labor Statistics (BLS) de CPI als de gemiddelde verandering door de tijd van prijzen voor een representatief pakket goederen en diensten dat stedelijke consumenten kopen. De definities staan in de [BLS-FAQ over de CPI]({source:blsCpiFaq}) en de [BLS-handleiding met CPI-begrippen]({source:blsCpiConcepts}). De CPI geldt voor een omschreven bevolking en pakket; hij is geen exacte weergave van de uitgaven van ieder gezin.

Het Bureau of Economic Analysis (BEA) publiceert de PCE-prijsindex. Die volgt de prijzen van goederen en diensten die inwoners van de VS kopen of die namens hen worden gekocht. De dekking en samenstelling verschillen van de CPI, dus de twee indexen hebben niet hetzelfde bereik. Zie de [BEA-pagina over de PCE-prijsindex]({source:beaPcePriceIndex}) en de vergelijking van CPI, PCE en de bbp-deflator.

De Federal Open Market Committee (FOMC) formuleert de Amerikaanse inflatiedoelstelling voor de langere termijn als 2%, gemeten aan de jaarlijkse verandering van de PCE-prijsindex. Dit is een Amerikaanse beleidsdoelstelling, geen definitie van desinflatie en geen universele grens waarboven of waaronder deflatie begint. De [verklaring van de Federal Reserve over langetermijndoelen]({source:fedTwoPercentGoal}) noemt deze maatstaf.

7. Hoe aanhoudende deflatie de last van schulden kan vergroten

Een nominale schuld moet worden terugbetaald in het geldbedrag dat in het contract staat. Als prijzen en inkomens dalen terwijl de nominale betaling gelijk blijft, kan die betaling een groter deel van het inkomen opslokken. De reële last van de schuld kan zo toenemen wanneer prijzen en inkomens niet even snel worden aangepast.

Dit is een mogelijk mechanisme, geen onvermijdelijke uitkomst voor iedere lener of economie. De looptijd van de schuld, inkomensveranderingen, rente, beleid en balansen spelen ook mee. Een prijsdaling van één product is op zichzelf geen bewijs dat de totale schuldenlast verandert.

Het is daarom te stellig om te zeggen dat elke deflatie vanzelf een neerwaartse spiraal veroorzaakt. Nauwkeuriger is: brede, aanhoudende deflatie kan de reële last van nominale schulden verhogen als inkomens en prijzen ongelijkmatig reageren. De [Federal Reserve bespreekt hoe deflatie het terugbetalen van schulden moeilijker kan maken]({source:fedDeflationDebtBurden}).

8. Zo controleer je een bewering over “dalende prijzen”

Noteer voordat je inflatie deflatie noemt vijf punten: welke index is gebruikt; welke goederen en diensten erin zitten; welke periode is vergeleken; hoe de index zelf veranderde; en of de daling breed en aanhoudend is. Houd maandcijfers en jaarcijfers uit elkaar en verwar een dalend inflatiepercentage niet met een dalend prijspeil.

Nominaal en reëel rendement behandelt hoe inflatie de koopkracht van rendement beïnvloedt. Dit artikel gebruikt geen actuele cijfers, doet geen voorspellingen en geeft geen beleggingsadvies.

Wie geldwaarde en productievolume in de bbp-cijfers wil onderscheiden, leest meer in nominaal en reëel bbp.

Veelgestelde vragen

Q1Worden producten goedkoper als de inflatie daalt van 4% naar 1%?

Niet per se. Als het percentage positief blijft, stijgt het gemiddelde prijspeil dat de index meet nog steeds, alleen langzamer. Voor een prijsdaling moet de index over de gekozen periode een negatieve verandering laten zien.

Q2Is een prijsdaling van één product deflatie?

Nee. Het kan gaan om een korting of een relatieve prijsverandering door productspecifieke omstandigheden. Deflatie verwijst naar een brede, aanhoudende daling van prijzen, niet naar één artikel.

Q3Bepaalt de doelstelling van 2% van de Federal Reserve wat desinflatie betekent?

Nee. De Amerikaanse doelstelling wordt gemeten aan de jaarlijkse PCE-verandering. Desinflatie betekent dat het inflatiepercentage daalt maar positief blijft, ongeacht het beleidsdoel.

Bronnen en verder lezen

Probleem melden

We bereiden een e-mail met de link naar dit artikel voor. Mark ontvangt je melding pas nadat je die verstuurt

Snelle check

De gids gelezen? Test jezelf met 3 vragen

Vraag 1 / 3

Vraag 01

Een hypothetische prijsindex stijgt van 100 naar 104 en daarna naar 105,04. Hoe beschrijf je de tweede verandering?

Kies een antwoord om de uitleg te zien

Optiewoordenlijst

Heldere definities van belangrijke optiebegrippen, van calls, puts en optieketens tot IV, Greeks, open interest en max pain

Bekijk de optiewoordenlijst