Waarom kan productiviteit sneller stijgen dan beloning? Deflatoren en het arbeidsaandeel
Ontdek waarom productiviteit en reële beloning uiteen kunnen lopen, hoe prijsdeflatoren de vergelijking veranderen en welke rol het arbeidsaandeel speelt.
In deze gidsWat betekent de kloof tussen productiviteit en beloning?
Korte samenvatting
Productiviteit en voor inflatie gecorrigeerde beloning kunnen allebei stijgen, maar in een verschillend tempo. De vergelijking hangt mede af van de prijsindex waarmee de beloning wordt gecorrigeerd en van het deel van het productie-inkomen dat naar arbeid gaat. Een kloof tussen productiviteit en beloning beschrijft gemeten totalen; ze vertelt niet wat iedere werknemer verdiende of waardoor de maatstaven uiteenliepen.
Wat betekent de kloof tussen productiviteit en beloning?
Arbeidsproductiviteit is de reële productie per gewerkt uur. De beloning per uur meet de arbeidskosten, waaronder loon en secundaire arbeidsvoorwaarden, per uur. Om beloning door de tijd te vergelijken, corrigeren statistici nominale bedragen met een prijsindex. Er is sprake van een kloof wanneer de groeipercentages van productiviteit en de zo berekende reële beloning over de gekozen periode verschillen.
Het woord *reëel* verwijst niet naar één universele berekening. Beloning gecorrigeerd met de consumentenprijsindex (CPI) laat zien hoe die zich verhoudt tot prijzen voor consumenten en hun koopkracht. Beloning gecorrigeerd met een outputprijsdeflator wordt vergeleken met de prijzen van wat een sector produceert. Beide benaderingen kunnen bruikbaar zijn, maar beantwoorden verschillende vragen.
In een analyse per bedrijfstak over 1987–2015 splitste het Amerikaanse Bureau of Labor Statistics (BLS) de gemeten kloof op in een component door prijsdeflatoren en een component door het arbeidsaandeel. Dat kader helpt de rekenkundige relatie te begrijpen; de historische periode is geen actuele schatting voor iedere werknemer, sector of elk land. Zie de BLS-analyse van de kloof tussen arbeidsproductiviteit en beloning.
De CPI en een outputdeflator beantwoorden verschillende vragen
De CPI volgt de prijzen die consumenten betalen voor een vast omschreven mandje goederen en diensten. De index is nuttig als de vraag is of beloning koopkracht heeft gewonnen ten opzichte van consumptiegoederen en -diensten. Een huishouden besteedt anders dan het gemiddelde mandje, dus de met de CPI gecorrigeerde gemiddelde beloning is geen persoonlijke maatstaf voor ieders kosten van levensonderhoud.
Een outputprijsdeflator volgt de prijzen van goederen of diensten die een sector of bedrijfstak produceert. Die is nuttig om de productiewaarde te vergelijken met de beloning die voor die productie is betaald. De methoden van het BLS maken onderscheid tussen deflatoren voor consumentenprijzen, toegevoegde waarde en sectorale productie. De BLS-gids voor de berekening definieert reële beloning per uur, outputprijsdeflatoren en het arbeidsaandeel afzonderlijk.
De prijsindex voor het bbp van het BEA is een brede maatstaf voor de prijzen van goederen en diensten die in de Verenigde Staten worden geproduceerd. De index omvat export en sluit import uit, terwijl een consumentenprijsindex aankopen door consumenten meet. De bbp-index is niet automatisch de specifieke outputdeflator per bedrijfstak die voor elke productiviteitsvergelijking nodig is. De definitie van het BEA voor de bbp-prijsindex beschrijft de productiegrens.
Een voorbeeld laat zien hoe de keuze de kloof verandert
Neem een hypothetische sector op basis van toegevoegde waarde en stem productie, beloning en gewerkte uren op elkaar af. Aan het begin bedraagt de reële productie 100 eenheden per uur, staan de outputprijsindex en CPI allebei op 100, is de nominale toegevoegde waarde $100 per uur en bedraagt de arbeidsbeloning $60 per uur. Het arbeidsaandeel in de toegevoegde waarde is dan 60%.
Alle dollarbedragen in dit hypothetische voorbeeld luiden in Amerikaanse dollars (USD).
Op een later moment stijgt de productie per uur met 5% naar 105 eenheden. De outputprijsindex stijgt met 1% naar 101, dus de nominale toegevoegde waarde per uur is 105 × 1,01 = $106,05. Stel dat het arbeidsaandeel proportioneel met 1% daalt, van 60% naar 59,4%. De beloning per uur komt dan uit op ongeveer $106,05 × 0,594 = $62,99. De CPI stijgt met 3% naar 103. Omgerekend naar dollars van het begin is de beloning ongeveer $62,99 ÷ 1,03 = $61,16, een stijging van 1,93% ten opzichte van $60.
Na correctie met de CPI stijgt de productiviteit met 5% en de reële beloning met 1,93%: het eenvoudige verschil tussen de groeipercentages is ongeveer 3,07 procentpunt. Na correctie met de outputprijsdeflator is de beloning $106,05 × 0,594 ÷ 1,01 ≈ $62,37 in dollars van het begin, een stijging van 3,95%; de kloof tussen productiviteit en beloning krimpt tot ongeveer 1,05 procentpunt. De cijfers zijn verzonnen om het effect van de deflatorkeuze te laten zien en zijn geen waarnemingen van het BLS of BEA.
Om alleen het effect van de prijsindex te isoleren, nemen we ook het geval waarin het arbeidsaandeel op 60% blijft. De beloning per uur is dan 106,05 × 0,60 = $63,63. Na correctie met de outputdeflator is dat $63,63 ÷ 1,01 = $63,00, een stijging van 5%, gelijk aan de productiviteitsgroei. Na correctie met de CPI is het $63,63 ÷ 1,03 ≈ $61,78, een stijging van ongeveer 2,96%; de kloof met de productiviteit is dan circa 2,04 procentpunt. Ook dit is een hypothetische berekening die het effect van de index afzondert, geen voorspelling.
In dit voorbeeld is het verschil tussen de CPI-kloof en de kloof op basis van outputprijzen ongeveer 2,02 procentpunt. De resterende kloof na correctie met outputprijzen ligt dicht bij de proportionele daling van het arbeidsaandeel. Kleine verschillen ontstaan doordat gewone procentuele veranderingen niet exact bij elkaar optellen; een decompositie in loggroei vormt een exacte boekhoudkundige identiteit bij onderling passende definities.
Het arbeidsaandeel meet welk deel van het productie-inkomen naar arbeid gaat
Bij een maatstaf op basis van toegevoegde waarde is het arbeidsaandeel de arbeidsbeloning gedeeld door de nominale toegevoegde waarde. De verhouding vat samen welk deel van de gemeten waarde volgens die boekhoudkundige definitie aan arbeid toekomt. Als de productiviteit stijgt terwijl de arbeidsbeloning langzamer groeit dan de nominale productie, kan het arbeidsaandeel dalen en kan beloning gecorrigeerd met outputprijzen achterblijven bij de productiviteit.
Dat is een boekhoudkundige relatie en geen volledige verklaring van oorzaak en gevolg. Het arbeidsaandeel kan veranderen door de samenstelling van bedrijfstakken, de organisatie van bedrijven, relatieve prijzen, de behandeling van zelfstandigen en andere onderdelen van het productie-inkomen. Een daling van het geaggregeerde aandeel vertelt op zichzelf niet welke factor veranderde of hoe het inkomen tussen individuele huishoudens verschoof. De BLS-studie over het ramen van het Amerikaanse arbeidsaandeel bespreekt meetkeuzes en waarom reeksen met een andere afbakening niet onderling uitwisselbaar zijn.
Ga er niet van uit dat iedere gepubliceerde maatstaf voor het arbeidsaandeel dezelfde noemer gebruikt. Het BLS gebruikt voor sommige maatstaven de output op basis van toegevoegde waarde en hanteert voor sommige gedetailleerde bedrijfstakken een andere grens voor output en kosten. De verhouding moet passen bij het onderzochte outputbegrip en de sector. Je kunt het arbeidsaandeel uit de ene statistische reeks niet zomaar invullen in een formule voor een andere reeks.

De twee componenten sluiten aan op een identiteit in loggroei
Neem output op basis van toegevoegde waarde met een consistente afbakening. Laat P arbeidsproductiviteit zijn, R de met de CPI gecorrigeerde beloning per uur, CPI de consumentenprijsindex, Pₒ de outputprijsdeflator en s het arbeidsaandeel. De verhouding tussen productiviteit en met de CPI gecorrigeerde beloning is gelijk aan de verhouding tussen CPI en outputprijsdeflator, gedeeld door het arbeidsaandeel. Veranderingen in natuurlijke logaritmen geven:
Δln(P) − Δln(R) = Δln(CPI) − Δln(Pₒ) − Δln(s)
In gewone woorden: zowel het verschil tussen de CPI en outputprijzen als de verandering in het arbeidsaandeel draagt bij aan de kloof. Wanneer het arbeidsaandeel daalt, is Δln(s) negatief. Door die waarde af te trekken, wordt de gemeten kloof tussen productiviteit en beloning groter. Logveranderingen liggen bij kleine percentages dicht bij gewone procentuele veranderingen, maar voor de exacte identiteit zijn overeenkomstige logveranderingen en consistente afbakeningen nodig.
Deze formule is een boekhoudkundige decompositie, geen model dat lonen voorspelt of oorzaken vaststelt. De reeksen moeten dezelfde periode, uren, werknemers en grens voor productie op basis van toegevoegde waarde bestrijken. Een vergelijking met sectorale output, een andere werknemersgroep of niet-overeenkomende perioden vereist definities die bij die maatstaven passen.
Gemiddelde beloning is niet het loonstrookje van iedere werknemer
De beloning per uur van het BLS is een geaggregeerde maatstaf. Afhankelijk van de reeks kunnen lonen en salarissen, door werkgevers betaalde secundaire arbeidsvoorwaarden en geraamde beloning voor ondernemers erin zitten. De samenstelling van werknemers, uren, bedrijfstakken en arbeidsvoorwaarden kan door de tijd veranderen. Daardoor kan de gemiddelde beloning anders bewegen dan het loon van een bepaald persoon, beroep of de mediane werknemer.
Productiviteit is ook een geaggregeerde verhouding tussen productie en uren, geen individuele prestatiebeoordeling. Naast arbeid weerspiegelt de maatstaf kapitaal, technologie, materialen, capaciteitsbenutting, management, de samenstelling van werknemers en andere factoren. Een stijging van de productie per uur bewijst niet dat iedere werknemer in dezelfde mate productiever werd of dat een specifiek loonbeleid de verandering veroorzaakte.
Gebruik voor de koopkracht van werknemers een maatstaf voor reële beloning waarvan de populatie en deflator bij de vraag passen. Vergelijk voor productiekosten beloning met output via passende maatstaven aan de producentenkant. Bekijk voor verdelingsvragen het arbeidsaandeel en andere inkomensmaatstaven volgens hun eigen afbakening. Die perspectieven vullen elkaar aan; geen ervan beantwoordt alle drie de vragen tegelijk.
Een zorgvuldige vergelijking begint met afbakening en datums
Noteer voordat je een kloof aanhaalt de outputmaatstaf, beloningsmaatstaf, prijsindex, definitie van gewerkte uren, werknemerspopulatie, sector en periode. Controleer ook of het om kwartaalgroei, een groeipercentage op jaarbasis, jaar-op-jaargroei of cumulatieve groei over meerdere jaren gaat. Een kwartaalgroei omrekenen naar jaarbasis beschrijft een samengesteld tempo onder de aanname dat het aanhoudt; dat is niet hetzelfde als een waargenomen verandering over een heel jaar.
Ook indexcijfers hebben een referentieperiode. Een prijs- of productiviteitsindex herbaseren naar 100 verandert het referentiepunt, niet de onderliggende economische gebeurtenis. Vergelijk groeipercentages pas nadat perioden en bewerkingen op elkaar zijn afgestemd. Het BLS kan ramingen van productie, uren en beloning herzien wanneer brongegevens worden bijgewerkt; vermeld daarom de publicatie of gegevensversie als de precieze raming ertoe doet.
Maak ten slotte onderscheid tussen de brede Amerikaanse bbp-prijsindex, een outputdeflator voor een specifieke bedrijfstak en de CPI. De bbp-index omvat binnenlandse productie, inclusief export en exclusief import. De CPI gaat over aankopen door consumenten. Geen van beide is een universele vervanger voor iedere maatstaf per land of bedrijfstak.
Wat de kloof wel en niet aantoont
Een kloof tussen productiviteit en beloning kan beschrijven hoe geaggregeerde output per uur en een gekozen reeks voor reële beloning zich ten opzichte van elkaar hebben ontwikkeld. Door de bijdrage van prijsdeflatoren en het arbeidsaandeel te scheiden, wordt duidelijker waarom een CPI-vergelijking kan verschillen van een vergelijking op basis van producentenprijzen.
De kloof bewijst op zichzelf niet dat iedere werknemer de productiviteitswinst is onthouden, dat een specifieke technologie de beloning heeft afgeremd of dat consumenten met een bepaalde inflatie te maken hadden. De uitkomst hangt af van prijsindexen, statistische grenzen, aggregatie en datums. De BLS-analyse per bedrijfstak over 1987–2015 helpt de decompositie te begrijpen, maar toont geen huidige universele trend aan.
Lees voor verwante maatstaven ook over arbeidskosten per eenheid en inflatie, nominale en reële lonen en CPI, PCE en de bbp-deflator.
Veelgestelde vragen
Q1Stijgen lonen automatisch wanneer de productiviteit groeit?
De productiviteitsstatistiek alleen levert geen regel op dat lonen even hard stijgen. Productiviteit kan hogere output en inkomsten ondersteunen, maar gemeten beloning hangt ook af van de deflator, het arbeidsaandeel, de samenstelling van werknemers, arbeidsvoorwaarden en de gekozen periode.
Q2Waarom kan met de CPI gecorrigeerde beloning langzamer groeien dan beloning gecorrigeerd met outputprijzen?
De CPI en een outputprijsdeflator volgen verschillende prijzen. Als consumentenprijzen sneller stijgen dan de prijzen van de output van een sector, haalt de CPI meer groei uit de nominale beloning dan de outputdeflator.
Q3Betekent een dalend arbeidsaandeel dat iedere werknemer minder verdient?
Nee. Het arbeidsaandeel is een geaggregeerde verhouding volgens een bepaalde outputdefinitie. Het kan dalen terwijl sommige werknemers meer gaan verdienen en laat niet zien hoe inkomsten over huishoudens of beroepen zijn verdeeld.
Bronnen en verder lezen
Probleem melden
We bereiden een e-mail met de link naar dit artikel voor. Mark ontvangt je melding pas nadat je die verstuurt
Snelle check
De gids gelezen? Test jezelf met 3 vragen
Vraag 01
Welke vraag beantwoordt met de CPI gecorrigeerde beloning het meest direct?
Kies een antwoord om de uitleg te zien
Optiewoordenlijst
A call or put whose strike is near the underlying price; it has little intrinsic value and often substantial sensitivity to time and volatility.
Lees de uitgebreide gidsCall optionA contract that gives its holder the right, but not the obligation, to buy the underlying at the strike before or at expiration under the contract terms.
Lees de uitgebreide gids